Column: “De angst aan de lijn”

Langzaam beginnen je handen klam te worden, rode vlekken doemen op vanuit je nek, je probeert te slikken maar je mond is zo droog dat je dit nauwelijks voor elkaar krijgt. Dit zwarte apparaatje tussen je vingers is je grootste vijand. En terwijl je zo langzaamaan ineenkrimpt, bedenk je dat dat wellicht het enige voordeel is van deze handeling: Het feit dat je gesprekspartner niet kan mee genieten van jouw komende afgang. Stamelend en hakkelend probeer je woorden te vormen, het lukt allesbehalve. Geen enkel geluid komt uit je keel. Je gooit het zwarte onding terug op tafel. Dan maar geen afspraak met de tandarts dit jaar.

 

Telefoneren, het wordt tegenwoordig als iets doodgewoons gezien, uitermate noodzakelijk, een vooruitgang en verbetering van ons leven. Iedereen boven de zes jaar heeft een eigen mobiel en belt er op los. Als zelfs een kind het kan, dan moet het toch niet zo moeilijk zijn? Zo’n complexe handeling is het niet, je toetst die tien cijfers in en wisselt woorden uit met de persoon aan de andere kant van de lijn. Maar toch denk ik dat ik voor velen spreek als ik zeg dat dit niet zo makkelijk is als het lijkt. Mensen met telefoonangst zijn bang voor het commentaar wat ze kunnen krijgen. Het vernietigende oordeel dat de ander kan vormen alleen al op basis van je stem. Er is zo veel wat mis kan gaan. Je wilt jezelf de mogelijke kritiek besparen en je beschermen tegen een eventuele telefonische afgang, dus zie je af van het hele belfestijn.

 

Het gaat mij hier niet om het bellen met vrienden of familie, dat is nog wel te doen. Je moeder zal je niet verbaal kapot maken vanwege een stotterende openingszin. Maar zodra je een formeel telefoontje moet plegen en je diegene voor het eerst -en waarschijnlijk voor het laatst- spreekt, dan gaat het mis. Je mag niet stotteren of stamelen. Je mag niet blokkeren. Je moet beleefd zijn . Je moet duidelijk maken wat je wilt. Je moet zelfverzekerd en helder over komen. Je moet duidelijk articuleren. En dat dan nog eens allemaal tegelijkertijd, terwijl het angstzweet je uitbreekt.

 

Maar het gaat niet alleen fout bij bellen, ook gebeld worden is een hel. Zodra de telefoon over gaat, klopt dat hart weer in je keel. Rrrring. Shit, onbekend nummer. Rrrring. Zal ik opnemen? Rrrring. Nee ik laat ‘em overgaan, totdat het stopt. Rrrring. Hij of zij moet maar mijn voicemail inspreken. Rrrring. Oh nee, dan wil die nare beller natuurlijk dat ik terugbel. Rrrring. Help.

 

Zodra je op Google de woorden ‘belangst’ en ‘hulp’ in typt, verschijnen er lange lijsten met tips. Maak bijvoorbeeld lijstjes met wat je wilt zeggen, oefen voor de spiegel of beeld je in dat de persoon aan de andere kant van de lijn in zijn ondergoed staat. Leuke tips hoor, maar als ik me moet voorstellen dat mijn tandarts in zijn boxershort, of erger nog in zo’n vale herenslip staat, denk ik dat ik nooit meer een tandartsafspraak maak. Dan maar rotte tanden.

 

Nee dat bellen is niks voor mij. Laat mij maar liever ouderwets een brief schrijven of simpelweg afspreken met mensen. Dat zouden we sowieso vaker moeten doen. Had iedereen maar telefoonangst.

 

Brandi van de Mortel

Comments are closed.