Column Jan Hoek “Participeren omdat het Kan”

Steeds meer Nederlanders gaan het zelf doen. In een stadsdorp organiseren ze hun eigen zorg. Dicht bij huis en niet afhankelijk van een reusachtige thuiszorgorganisatie. Met een windcoöperatie investeren ze in hun eigen windmolen. Zo besparen ze op hun energierekening en verbeteren ze luchtkwaliteit en leefmilieu. Als de gemeente bezuinigt, zetten ze een buurtcommunity op en nemen ze het buurthuis over. Vaak wordt het buurthuis daar een stuk leuker en goedkoper van.

 

Nederlanders zijn ook wereldkampioen vrijwilligerswerk, alle verhalen over individualisering en alleen aan jezelf denken ten spijt. Ze zijn vrijwilliger bij een sportvereniging, organiseren de bingo in de serviceflat en helpen op de school van hun kinderen.

 

Nederlanders zorgen ook. Voor hun ouders, en voor de zieke buurvrouw. Af en toe langs, om te kijken hoe het gaat. Ze doen de boodschappen en ze gaan mee naar de dokter. Sommige Nederlanders doen veel meer, en vinden dat vaak de normaalste zaak van de wereld. Ook als zorgen het uiterste van ze vraagt. Dat doe je gewoon, zeggen ze dan.

 

De bezuinigende overheid heeft ze ontdekt, de burgers die het zelf doen. Die kunnen nog best wat meer doen, vindt de bezuinigende overheid. Daar valt ook best wat voor te zeggen. Wat burgers graag willen doen, hoeft de overheid ze niet uit handen te nemen. En om voorzieningen betaalbaar te houden, is het niet zo gek om burgers te vragen wat ze zelf kunnen doen. Wie meer zelf kan doen, heeft van de overheid minder hulp nodig, zo simpel is het ook wel weer. De overheid plakte er ook een woord op: de participatiesamenleving.

 

Maar het moet uit de breedte komen, of uit de lengte. Mensen kunnen niet én 40 uur in de week werken én de administratie van het stadsdorp en de windcoöperatie bijhouden, een buurthuis open houden, een speeltuin runnen, een voetbalteam trainen, de overblijf op school regelen en voor hun moeder zorgen. Laat staan dat ze daarnaast ook nog leuke dingen kunnen doen met hun geliefde, de kinderen en vrienden. Of gewoon eens uitslapen.

 

De participatiesamenleving zal een ontspannen samenleving moeten zijn. En samenleving waarin mensen zich niet honderd slagen in de rondte hoeven te werken, om alle ballen in de lucht te houden. De participatiesamenleving is niet alleen een samenleving waarin mensen mee doen, het is ook een samenleving waarin mensen mee kunnen doen. De participatiesamenleving moet een samenleving zijn waarin mensen hun inkomen bij elkaar kunnen verdienen in een dag of drie, vier, zodat ze tijd genoeg over houden om al die andere dingen te doen die het leven de moeite waard maken.

 

De participatiesamenleving vraagt om een participerende overheid. Geen overheid die burgers vertelt wat ze moeten doen, maar een overheid die het mogelijk maakt dat ze het zelf doen. Een overheid die een andere verhouding tussen werken en vrije tijd mogelijk maakt. Die basisvoorzieningen goed organiseert, zodat mensen daar geen omkijken naar hebben. En een overheid die inspringt als het niet lukt, want de zekerheid dat de overheid er is als het nodig is, zorgt ook voor een hoop ontspanning.

 

En trouwens, als de mensen die nu zo hard werken, wat minder hoeven te werken, kunnen de mensen die nu geen baan hebben, ook aan de slag. Kunnen zij ook participeren in de participatiesamenleving. Wat overigens wel een heel lelijk woord is, participatiesamenleving.

Comments are closed.